JIJ Toets -2F

1 / 45
volgende
Slide 1: Tekstslide
RekenenISK

In deze les zitten 45 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

           Doelen
Oefenen opdrachten op niveau 2F. 
1. Ik herken de woorden op dit niveau.
2. Ik ken rekenstrategieën om een som goed op te lossen
3. Ik kan de som goed beantwoorden de opdracht in een tekst/tabel/grafiek staat.
 

Slide 2 - Tekstslide

3. Leerdoelgericht werken
De docent geeft het onderwerp, RTTI geformuleerde leerdoelen en de lesopbouw aan. De docent weet de leerdoelen goed te laten aansluiten bij de voorkennis en het (taal)niveau van de leerlingen. Gedurende de les wordt continu een terugkoppeling naar de leerdoelen gemaakt om de mate van beheersing te controleren.      
Bereken de toename?
A
+
B
-
C
:
D
x

Slide 3 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Bereken de korting?
A
+
B
-
C
:
D
x

Slide 4 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

De temperatuur is gestegen.
A
+
B
-
C
:
D
x

Slide 5 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is het verschil?
48 en 53

Slide 6 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

daling
A
+
B
-
C
:
D
x

Slide 7 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

2 taarten. Ik geef 1/3 weg en er is 1 1/3 verkocht. Hoeveel is er nog?

Slide 8 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies


Vader, moeder, Lize (16) en Kees (12) gaan naar het museum. Lize heeft een CJP kaart. Hoeveel moeten ze in totaal betalen?
Noteer het bedrag.

Prijzen museum

Slide 9 - Open vraag

20 - Domein: verbanden (antwoorddia)
Leerlingen moeten hier verband leggen tussen wat er boven de tabel staat en wat er in de tabel staat. Dit onderdeel kent geen verschil ten opzichte van 2F. Het antwoord mag niet langer zijn dan twee decimalen, omdat het om geld gaat. Dit laatste is wel een verschil ten opzichte van opdrachten op niveau 2F.

Schrijf het getal elfhonderdveertig in cijfers.
5 - Domein: getallen

Slide 10 - Open vraag

Een 2F leerling moet dit ook kunnen, maar er is wel voor gezorgd dat dit getal geen losse eenheden heeft, en dat het niet een heel groot getal is.

De oorspronkelijke prijs van de fiets was € 975. Hoeveel kost de fiets tijdens de aanbieding?

20% korting!

Slide 11 - Open vraag

25 - Domein: verhoudingen
‘Rekenen met procenten’ kent geen specifieke verschillen ten opzichte van 2F. Wel is het aan te raden om er bij een 2A toets  een afbeelding bij plaatsen zodat de opdracht voor de leerlingen herkenbaar en concreet is.


4 van de 5 mensen sport regelmatig.
Hoeveel procent is dat?

Slide 12 - Open vraag

27 - Domein: verhoudingen
De leerlingen dienen te weten dat 4 van de 5 hetzelfde is als 80%. In een 2A toets hoeven deze verhoudingen en percentages niet omgezet te worden naar een breukbewerking. Bij opdrachten op 2F  niveau moet dit wel.

200 ml limonade:
  • 180  ml water
  • 20 ml siroop
Je hebt 540 ml water.
Hoeveel ml siroop moet erbij om hier limonade van te maken? Typ het getal.

Slide 13 - Open vraag

41 - Domein: meten & meetkunde (antwoorddia)
Deze opdracht kent geen specifieke verschillen ten opzichte van 2F. Wel is het een vrij eenvoudige opdracht.

Hoeveel milliliter is 4 x 6 cl?
Noteer in ml.

Slide 14 - Open vraag

28 - Domein: meten & meetkunde
‘Maten omrekenen’ kent geen specifieke verschillen met 2F. De eenheden L, dl, cl, ml kunnen voorkomen in een 2A toets.


Er zijn in totaal 600 leerlingen. Hoeveel procent komt met de fiets naar school? Typ het getal.

Slide 15 - Open vraag

42 - Domein: verbanden (antwoorddia)
De leerling dient te weten dat 150 25% van 600 is. Deze opdracht kent geen specifieke verschillen ten opzichte van 2F.
Hoeveel van dit soort boeken passen er in de hele kast?

Slide 16 - Open vraag

44 - Domein: meten & meetkunde (antwoorddia)
Deze opdracht kent wel degelijk een verschil ten opzichte van 2F. Er zijn weer afbeeldingen, inclusief afmetingen, bijgevoegd zodat de opdracht concreter en duidelijker wordt. De berekening daarna kent geen verschillen ten opzichte van  opdrachten op niveau 2F.
Hoeveel minuten is een
kwart van 2 uur?
timer
0:30

Slide 17 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Van welk product zou de roze grafiek kunnen zijn?
A
handschoenen
B
zwembroek
C
skistokken
D
truien

Slide 18 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Doelen 
1.  Ik herken de woorden op dit niveua.




2.  Ik ken rekenstrategieën om een som goed op te lossen


3.  Ik kan de som goed beantwoorden de opdracht in een tekst/tabel/grafiek staat. 


Slide 19 - Tekstslide

8. Afsluiting
De docent controleert in de slotfase van de les of de leerdoelen door alle leerlingen behaald zijn en plaatst de les in de context van de betreffende periode. De docent evalueert samen met de leerlingen het leren en het gedrag en blikt vooruit aan de hand van de JdW-planner.

Bedankt!
Tot volgende keer!

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 21 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

           Doelen
Oefenen opdrachten op niveau 2F. 
1. Ik herken de woorden op dit niveau.
2. Ik ken rekenstrategieën om een som goed op te lossen
3. Ik kan de som goed beantwoorden de opdracht in een tekst/tabel/grafiek staat.
 

Slide 22 - Tekstslide

3. Leerdoelgericht werken
De docent geeft het onderwerp, RTTI geformuleerde leerdoelen en de lesopbouw aan. De docent weet de leerdoelen goed te laten aansluiten bij de voorkennis en het (taal)niveau van de leerlingen. Gedurende de les wordt continu een terugkoppeling naar de leerdoelen gemaakt om de mate van beheersing te controleren.      


Tekst
Cursus fotografie
Lesdag: dinsdag
Begint om 19:30 uur, 
duurt 2 uren en 15 min.



Hoe laat is de les op dinsdag afgelopen? 
Typ het tijdstip met een dubbele punt (bijvoorbeeld 20:30).

Slide 23 - Open vraag

19 - Domein: verhoudingen
‘Maten voor tijd, en rekenen met tijd’ kent geen verschillen ten opzichte van 2F.
Deze balk is 8 cm lang, 2 cm breed en 3 cm hoog.

Bereken de oppervlakte.
A
92 cm²
B
8,6 dm²
C
68 cm²
D
46 cm²

Slide 24 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Handig rekenen
9,05 - 2,99 = ?
A
9,05 - 3 + 0,01
B
9,05 - 3,00 - 0,01
C
9,04 - 3,01
D
9,06 - 3

Slide 25 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

84% van de 125 leerlingen heeft de
wiskundetoets gehaald.
Hoeveel leerlingen hebben de toets gehaald?

Slide 26 - Open vraag

21 - Domein: verhoudingen
‘Rekenen met procenten’ kent geen verschillen ten opzichte van 2F.


Hoeveel houten blokjes passen maximaal in het krat?

Slide 27 - Open vraag

24 - Domein: meten & meetkunde
Ook dit is weer een mooi voorbeeld van een 2A opdracht. In de afbeeldingen staan de afmetingen van de objecten zodat het voor de leerlingen makkelijk is om te zien met welke getallen ze moeten rekenen. Deze afbeeldingen zouden op niveau 2F ontbreken, de informatie zou in de tekst worden verwerkt. Wel moeten de leerlingen hier dezelfde soort berekening uitvoeren als bij opdrachten op niveau 2F gangbaar is.
Je mag €1000,- rood staan bij de bank. Je hebt een saldotekort van €198,-. Wat kun je nog maximaal pinnen op deze rekening? (alleen kommagetal opschrijven)

Slide 28 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies


Hanna wil 32 mensen
op roze koeken trakteren.
Hoeveel pakken moet ze kopen?
         11 - Domein: getallen

Slide 29 - Open vraag

Als dit een 2F-opdracht zou zijn, zou de afbeelding er niet zijn, maar zou er in de tekst staan dat er 6 koeken in 1 pak zitten.
Rond 565 af op een honderdtal.
     14 - Domein: getallen

Slide 30 - Open vraag

De grafiek kan groter getoond worden.
 
In het rekenexamen 2A komen minder opgaven voor die om afronding vragen dan in een 2F toets. Wel moet er getoetst worden of een 2A leerling dit kan.
Wanneer daalt
de grafiek?

A
7:00-8:00
B
9:00-11:00
C
14:00-17:00
D
18:00-21:00

Slide 31 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


Jellybeans:
0,5 kg voor 
€ 3,25

Max koopt 200 gram Jellybeans.
Hoeveel euro moet hij betalen?

Slide 32 - Open vraag

40 - Domein: meten & meetkunde
Leerlingen moeten weten dat 0,5 kg hetzelfde is als 500 g. Deze opdracht kent geen specifieke verschillen ten opzichte van 2F.


Fred krijgt 20% korting op alles. Hoeveel euro moet hij betalen?
Typ het getal.  

Slide 33 - Open vraag

43 - Domein: verhoudingen (antwoorddia)
Rekenen met procenten kent geen specifieke verschillen ten opzichte van 2F.
Welke formule hoort bij de grafiek?
A
Lening = 2200 + aantal maanden x 200
B
Lening = 2200 - aantal maanden x 200
C
Lening = 2200 + aantal maanden
D
Lening = 2200 - aantal maanden

Slide 34 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


Welke zin is waar?
A
Deze tabel heeft 4 kolommen en 3 rijen.
B
Deze tabel heeft 3 kolommen en 4 rijen

Slide 35 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


De pijltjes geven de
wind aan. In welke
richting waait die?
A
noord-west
B
zuid-oost
C
zuid-west
D
noord-oost

Slide 36 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Je ziet dat je twee uur geleden een mailtje hebt ontvangen van je tante uit Sydney. Ze heeft deze om 19.00 uur lokale tijd verzonden. Je stuurt de mail meteen door naar je ouders die op vakantie zijn in New York.
Bekijk de tabel. Hoe laat is het bij je ouders wanneer je de mail doorstuurt?
Tabel
A
03:00 uur
B
05:00 uur
C
08:00 uur
D
11:00 uur

Slide 37 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Marieke heeft 3 potten van 1 liter verf gekocht. Met 1 pot verf kan ze 8m² muur verven.

Heeft ze genoeg verf gekocht?
A
Ja, ze heeft zelfs een pot teveel.
B
Ja, ze heeft precies genoeg.
C
Nee, ze heeft 1 pot te weinig.
D
Nee, ze heeft 2 potten te weinig.

Slide 38 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Je ziet de resultaten op een rekentoets van twee klassen.
Welke klas heeft gemiddeld het hoogst gescoord?


A
Klas A
B
Klas B
C
Ze hebben gelijk gescoord.

Slide 39 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Een schapenkooi is 15 x 10 meter.

Hoeveel hek heeft de boer moeten
kopen om de kooi te maken?
A
50 m
B
150 m
C
200 m
D
250 m

Slide 40 - Quizvraag

Als je de grootte van iets uitspreekt zeg je vaak: (lengte) bij (breedte) meter. Dat schrijf je als ... x ... meter.
(klik op de afbeelding)

Welke dag heeft het grootste verschil tussen de minimum en maximum temperatuur?
A
zaterdag
B
zondag
C
maandag
D
dinsdag

Slide 41 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Bekijk de afbeelding.

Welke van de vier kleine kubussen
kan hetzelfde zijn als de grote?
Afbeelding
A
kubus 1
B
kubus 2
C
kubus 3
D
kubus 4

Slide 42 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


A
De 1e staartdeling is juist.
B
De 2e staartdeling is juist.
C
De 3e staartdeling is juist.
D
Geen van de staartdelingen is juist.

Slide 43 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

1000m² = ....hm²
A
0,1
B
1
C
10
D
0,01

Slide 44 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Zelfstandig werken.
1. Werkboek: maken 3 blz.
2. Klaar? Numo

Slide 45 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies