Sportkledingwinkel, Cala Millor. Foto: Steffen Mokosch, CC BY-SA 4.0
EXAMENSTOF · FINANCIEEL · OVERZICHTEN
Financiële feiten en begroting
Examenstof bedrijfseconomie vwo
Sportkledingwinkel, Cala Millor. Foto: Steffen Mokosch, CC BY-SA 4.0
EXAMENSTOF · FINANCIEEL · OVERZICHTEN
Financiële feiten en begroting
Examenstof bedrijfseconomie vwo
Les 1 van 3: uitleg. Les 2 is de examentraining, les 3 de terugblik met quiz. Syllabus: F1 28.1-28.4. Image credit: Steffen Mokosch / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0
EXAMENSTOF · FINANCIEEL · OVERZICHTEN
Wat ga je kunnen?
Ik kan de gevolgen van financiële feiten analyseren, kosten en opbrengsten berekenen en een begroting met beginbalans, liquiditeitsoverzicht, exploitatiebegroting en eindbalans opstellen en doorgronden.
Deze slide heeft geen instructies
Een sportzaak verkoopt voor € 10.000 op rekening. Welke woorden horen daarbij?
Syllabus 28.1: verwachte woorden zijn omzet, opbrengst, debiteuren, btw, voorraad, resultaat, later betalen, klant, factuur. Koppel ze aan de les: debiteuren en btw horen bij blok 1, 'later betalen' (opbrengst nu, ontvangst later) bij blok 2. Woorden als winst, kas of belasting kun je naast resultaat, liquide middelen en btw zetten: het examen gebruikt resultaat.
Betaalterminal bij een kassa. Foto: Syced, CC0
EXAMENSTOF · FINANCIEEL · OVERZICHTEN
Financiële feiten
Een financieel feit is een gebeurtenis in geld, zoals een inkoop, verkoop of betaling.
Gevolg voor de balans: balansmutatie. Gevolg voor de resultatenrekening: resultatenrekeningmutatie.
We volgen sportzaak Kaya, een eenmanszaak met een parttime medewerker, een kwartaal lang.
Journaalposten hoef je niet te maken: je beschrijft de gevolgen in woorden of met plus en min.
Syllabus 28.1: de gevolgen van financiële feiten voor de balans en de resultatenrekening analyseren; NB geen journaalposten. De resultatenrekening laat opbrengsten, kosten en resultaat zien; in een begroting heet dat de exploitatiebegroting. Het examen gebruikt resultaat, de syllabus ziet resultaat en winst als synoniemen (winst mag je hier een keer noemen). Sportzaak Kaya is verzonnen en komt in blok 3 terug met een volledige begroting. Veelgemaakte fout: denken dat elk feit het resultaat raakt. Image credit: Syced / Wikimedia Commons, CC0
EXAMENSTOF · FINANCIEEL · OVERZICHTEN
Inkoop en verkoop met btw
Levering is gelijktijdig. Contant raakt de liquide middelen, op rekening crediteuren of debiteuren.
Inkoop op rekening € 1.000 + 21% btw: voorraad +1.000, te vorderen btw +210, crediteuren +1.210.
Verkoop op rekening € 2.000 + 21% btw: debiteuren +2.420, te betalen btw +420, omzet € 2.000.
Btw-verrekening: je betaalt het saldo van te betalen en te vorderen btw aan de Belastingdienst.
Overige ontvangsten en uitgaven per kas en bank, zoals lonen of huur, veranderen de liquide middelen.
Syllabus 28.1, begrippen: inkoop en gelijktijdige ontvangst, verkoop en gelijktijdige aflevering (contant en op rekening) en btw-verrekening. 'Gelijktijdig' betekent dat de goederen op het moment van de inkoop binnenkomen en op het moment van de verkoop worden afgeleverd. Reken na: 21% van € 1.000 is € 210, dus crediteuren € 1.210; 21% van € 2.000 is € 420, dus debiteuren € 2.420. De btw is voor de ondernemer geen kost en geen opbrengst: de voorraad en de omzet staan exclusief btw. Veelgemaakte fout: voorraad of omzet inclusief btw boeken.
Black Friday-bord, Rotterdam, 2020. Foto: Donald Trung Quoc Don, CC BY-SA 4.0
EXAMENSTOF · FINANCIEEL · OVERZICHTEN
Wat raakt het resultaat?
Alleen kosten en opbrengsten veranderen het resultaat. De rest ruilt alleen balansposten.
Afschrijving op basis van de aanschafwaarde: inventaris omlaag, kosten omhoog, liquide middelen gelijk.
Aflossen van een lening: liquide middelen en lening dalen. Interest op die lening is wel een kost.
Privéuitgave (privéopname): liquide middelen en eigen vermogen dalen, geen kosten. Privéontvangst: andersom.
Syllabus 28.1, begrippen: aflossen van schulden, interest op schulden, afschrijving (op basis van aanschafwaarde), privéontvangsten en -uitgaven, overige ontvangsten en uitgaven per kas en bank. Afschrijving is een kost zonder uitgave: Kaya's inventaris heeft een aanschafwaarde van € 30.000 en een levensduur van 5 jaar, dus € 6.000 per jaar en € 1.500 per kwartaal. Aflossen verlaagt een schuld en is geen kost. Veelgemaakte fouten: aflossing als kost boeken, of afschrijving als uitgave. Image credit: Donald Trung Quoc Don / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0
Kaya koopt voor € 5.000 + 21% btw artikelen op rekening. Welke posten stijgen, met welk bedrag?
Voorraad 6.050, crediteuren 6.050, geen btw-post
Voorraad 5.000, te vorderen btw 1.050, crediteuren 6.050
Voorraad 5.000, crediteuren 5.000, kosten 5.000
Voorraad 5.000, te betalen btw 1.050, crediteuren 6.050
Syllabus 28.1. Reken na: 21% van € 5.000 is € 1.050, dus crediteuren € 6.050. De voorraad staat exclusief btw. De btw is te vorderen (de zaak krijgt het terug via de verrekening), niet te betalen. Verwachte fouten: btw in de voorraad meetellen, de inkoop als kost zien, te vorderen en te betalen btw verwisselen.
Vul in
Bij het aflossen van een lening dalen de liquide middelen en de lening, maar het resultaat blijft gelijk. De betaalde interest is wel een kost.
Syllabus 28.1. Verwachte fout: aflossing als kost zien. Alleen de interest, dus de vergoeding voor het geleende geld, drukt het resultaat.
Grootboek van een winkel, begin 20e eeuw. Patterson's General Store, publiek domein
EXAMENSTOF · FINANCIEEL · OVERZICHTEN
Van uitgaven naar kosten
Uitgaven zijn betalingen, kosten is wat je verbruikt. Overlopende posten vullen het verschil.
Vooruitbetaald: betaald, nog niet verbruikt. Nog te betalen: verbruikt, nog niet betaald.
Rekenregel: kosten = uitgaven + toename nog te betalen min toename vooruitbetaald (eind min begin).
Energie: 1.000 + (700 - 600) = 1.100 kosten. Andersom: huur 4.800 + 1.600 vooruit = 6.400 uitgaven.
Syllabus 28.2: de kosten op basis van gegeven uitgaven berekenen en vice versa, ten dienste van de resultaatberekening (periodetoerekeningstelsel). Reken na: energie 1.000 + (700 - 600) = 1.100. Huur: Kaya betaalt € 1.600 per maand en heeft in maart ook de huur voor april betaald, dus uitgaven € 6.400 en vooruitbetaald eind € 1.600 (begin € 0): kosten = 6.400 - 1.600 = € 4.800 (drie maanden). Andersom: uitgaven = kosten min toename nog te betalen plus toename vooruitbetaald. Veelgemaakte fout: het teken van de toename omdraaien. Ezelsbrug: een vooruitbetaald bedrag is nog geen kost, dus eraf; een nog te betalen bedrag is wel al kost, dus erbij. Image credit: Patterson's General Store / DPLA via Wikimedia Commons, publiek domein
EXAMENSTOF · FINANCIEEL · OVERZICHTEN
Ontvangsten en opbrengsten
Ontvangsten komen binnen op kas of bank, opbrengsten verdien je door te leveren.
Nog te ontvangen: verdiend, nog niet ontvangen. Vooruitontvangen: ontvangen, nog niet verdiend.
Opbrengsten = ontvangsten + toename nog te ontvangen min toename vooruitontvangen.
Debiteuren: ontvangsten = omzet incl. btw + begin - eind: 24.200 + 4.000 - 3.200 = 25.000.
Syllabus 28.2. Reken na het voorbeeld van Kaya: de omzet op rekening is € 20.000 + 21% btw = € 24.200; de debiteuren dalen van € 4.000 naar € 3.200, dus klanten betaalden € 24.200 + € 4.000 - € 3.200 = € 25.000. De omzet telt al mee op het moment van verkopen, ook als de klant nog niet betaald heeft. Voorbeeld verhuur: een zaak verhuurt een ruimte voor € 400 per maand, ontving € 800 over drie maanden en maart is nog te ontvangen (begin € 0, eind € 400): opbrengst € 1.200. Veelgemaakte fout: ontvangsten van debiteuren als nieuwe opbrengst zien (die opbrengst telde al bij de verkoop).
Kerstwinkel, Ommoord, Rotterdam, 2021. Foto: Donald Trung Quoc Don, CC BY-SA 4.0
EXAMENSTOF · FINANCIEEL · OVERZICHTEN
Twee stelsels vergeleken
Kasstelsel: een bedrag telt mee bij betaling of ontvangst. Resultaat = ontvangsten min uitgaven.
Periodetoerekeningstelsel: tellen in de periode waarin het hoort. Resultaat = opbrengsten min kosten.
Kasstelsel: de geldpositie. Periodetoerekeningstelsel: de prestatie van de periode.
Betaald in december voor volgend jaar? Kasstelsel: dit jaar. Periodetoerekening: volgend jaar.
Syllabus 28.4 (nieuw): het onderscheid tussen het periodetoerekeningstelsel en het kasstelsel uitleggen. Het examen verwacht de uitleg in een gegeven context, dus noem steeds een voorbeeld. De resultatenrekening en de exploitatiebegroting werken volgens het periodetoerekeningstelsel, het liquiditeitsoverzicht volgens het kasstelsel (alle ontvangsten en uitgaven). Veelgemaakte fout: denken dat het ene stelsel 'beter' is: ze beantwoorden een andere vraag (heeft de zaak geld, of was de periode rendabel). Image credit: Donald Trung Quoc Don / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0
De reclamekosten waren € 9.600. Vooruitbetaald: begin € 500, eind € 0. Nog te betalen: begin € 0, eind € 700. Wat zijn de uitgaven?
€ 8.400
€ 9.400
€ 9.800
€ 10.800
Syllabus 28.2 (vice versa). Uitgaven = kosten min toename nog te betalen plus toename vooruitbetaald = 9.600 - 700 + (0 - 500) = € 8.400. Controle met de formule van de dia: kosten = 8.400 + 700 + 500 = 9.600. Verwachte fouten: 9.400 (alleen de toename vooruitbetaald met het verkeerde teken), 9.800 (alleen nog te betalen met het verkeerde teken), 10.800 (beide verkeerd om).
Vul in
Een bedrag dat al is ontvangen maar nog niet is verdiend, is een vooruitontvangen bedrag. Het wordt pas opbrengst in de periode van de levering.
Syllabus 28.2 en 28.4. Verwachte fout: 'nog te ontvangen' kiezen: dat is het omgekeerde, verdiend maar nog niet ontvangen. Een vooruitontvangen bedrag staat op de balans als schuld (kort vreemd vermogen).
EXAMENSTOF · FINANCIEEL · OVERZICHTEN
Beginbalans en gegevens
Beginbalans activa: inventaris 18.000, voorraad 22.000, debiteuren 4.000, liquide middelen 8.000 (totaal € 52.000).
Passiva: eigen vermogen 27.000, lening 15.000, crediteuren 8.000, te betalen btw 1.400, nog te betalen energie 600.
Omzet 60.000 excl. btw (20.000 op rekening), inkoop 36.000 excl. btw op rekening, btw 21%. De verkochte goederen kostten bij inkoop 33.000.
Betaald: leveranciers 41.000, lonen 12.000, huur 6.400 (incl. april), energie 1.000 (nog te betalen eind 700).
Van klanten ontvangen 25.000. Verder: afschrijving 1.500, interest 225, aflossing 1.500, privéopname 4.500, btw 1.400 betaald.
Syllabus 28.3: een beginbalans opstellen en de verbanden tussen de overzichten analyseren. Controle beginbalans: activa 18.000 + 22.000 + 4.000 + 8.000 = 52.000; passiva 27.000 + 15.000 + 8.000 + 1.400 + 600 = 52.000. De te betalen btw van € 1.400 is de btw-verrekening over het vorige kwartaal. De kosten van de verkochte goederen (inkoopwaarde van de omzet, een eigen hulpterm, geen syllabusbegrip) zijn het deel van de inkoop dat is verkocht: inkoop 36.000 min voorraadtoename 3.000. Bij de overige kosten laten we de btw buiten beschouwing. Laat leerlingen de gegevens eerst in een tabel zetten voor ze verder klikken.
EXAMENSTOF · FINANCIEEL · OVERZICHTEN
Exploitatie en liquiditeit
Exploitatiebegroting: opbrengsten 60.000 min kosten 52.625 geeft een resultaat van € 7.375.
De kosten: verkochte goederen 33.000, lonen 12.000, huur 4.800, energie 1.100, afschrijving 1.500, interest 225.
Liquiditeitsoverzicht (liquiditeitsbegroting): begin 8.000 + ontvangsten 73.400 (contant incl. btw 48.400, klanten 25.000).
Uitgaven 68.025: inkoop 41.000, lonen 12.000, huur 6.400, energie 1.000, interest 225, aflossing 1.500, btw 1.400, privé 4.500.
Liquide middelen aan het eind: 8.000 + 73.400 - 68.025 = € 13.375.
Syllabus 28.3. Reken na (twee keer): kosten 33.000 + 12.000 = 45.000; + 4.800 = 49.800; + 1.100 = 50.900; + 1.500 = 52.400; + 225 = 52.625; resultaat 60.000 - 52.625 = 7.375. Ontvangsten: contante verkoop 40.000 x 1,21 = 48.400; plus 25.000 van debiteuren = 73.400. Uitgaven: 41.000 + 12.000 + 6.400 + 1.000 + 225 + 1.500 + 1.400 + 4.500 = 68.025. Eind: 8.000 + 73.400 - 68.025 = 13.375. Aflossing, privéopname en btw staan wel in het liquiditeitsoverzicht, niet in de exploitatiebegroting; afschrijving staat wel in de exploitatiebegroting en niet in het liquiditeitsoverzicht.
EXAMENSTOF · FINANCIEEL · OVERZICHTEN
Eindbalans en verbanden
Eigen vermogen: 27.000 + resultaat 7.375 - privéopname 4.500 = € 29.875. De lening is 15.000 - 1.500 = € 13.500.
Crediteuren: 8.000 + 43.560 - 41.000 = € 10.560. Debiteuren: 4.000 + 24.200 - 25.000 = € 3.200.
Btw: te betalen 12.600 min te vorderen 7.560 = btw-verrekening van € 5.040, pas volgend kwartaal betaald.
Geprognosticeerde eindbalans, activa: inventaris 16.500, voorraad 25.000, debiteuren 3.200, vooruit 1.600, liquide 13.375.
Passiva: 29.875 + 13.500 + 10.560 + 700 (energie) + 5.040 = 59.675 = activa. Resultaat 7.375, liquide middelen +5.375.
Syllabus 28.3: de verbanden tussen de overzichten analyseren. De geprognosticeerde eindbalans combineert de beginbalans, het resultaat uit de exploitatiebegroting (via het eigen vermogen) en het liquiditeitsoverzicht (via de liquide middelen). Reken na: inventaris 18.000 - 1.500 = 16.500; voorraad 22.000 + 3.000 = 25.000; vooruitbetaalde huur 1.600; activa 16.500 + 25.000 + 3.200 + 1.600 + 13.375 = 59.675. Passiva: 29.875 + 13.500 + 10.560 + 700 + 5.040 = 59.675. Het verschil tussen resultaat (7.375) en toename liquide middelen (5.375) komt door de voorraad (-3.000), de huur vooruit (-1.600), aflossing (-1.500) en privé (-4.500), tegenover afschrijving (+1.500), lagere debiteuren (+800), hogere crediteuren (+2.560), hogere nog te betalen energie (+100) en het btw-saldo (+3.640). Wie dat bijhoudt, ziet waarom een zaak resultaat kan maken en toch weinig geld hebben.
De betaalde interest van € 225 komt terug in welke overzichten van Kaya?
Alleen de exploitatiebegroting
Alleen het liquiditeitsoverzicht
Exploitatiebegroting en liquiditeitsoverzicht
Liquiditeitsoverzicht en post lening op eindbalans
Syllabus 28.3. Interest is een kost (exploitatiebegroting) en een uitgave (liquiditeitsoverzicht). De lening op de eindbalans verandert alleen door de aflossing, niet door de interest. Verwachte fout: de interest bij de aflossing rekenen.
Vul in
Op de eindbalans staat de btw als saldo: te betalen btw min te vorderen btw. Dat saldo wordt bij de btw-verrekening aan de Belastingdienst betaald.
Syllabus 28.1 en 28.3. Kaya: 12.600 - 7.560 = € 5.040. Verwachte fout: alleen de te betalen btw op de balans zetten.
Wat vond je het lastigst in deze les?
Feiten verwerken in de balans
Van uitgaven naar kosten rekenen
Het liquiditeitsoverzicht
De verbanden tussen de overzichten
Gebruik de uitkomst om te bepalen waar je in de training mee start. Verwijs bij 'verbanden' naar de laatste dia van blok 3.
Waarom heeft een zaak met resultaat soms weinig geld?
Een goed antwoord noemt minstens twee oorzaken: opbrengsten die nog niet zijn ontvangen (debiteuren), voorraad of inventaris die al is betaald, aflossing en privéopname (uitgaven die geen kosten zijn). Bij Kaya: resultaat 7.375, liquide middelen +5.375.
EXAMENSTOF · FINANCIEEL · OVERZICHTEN
Begrippen (1/2)
financieel feit: Een gebeurtenis in geld, zoals inkoop, verkoop, betaling of afschrijving.
btw-verrekening: De afrekening van de te betalen en te vorderen btw met de Belastingdienst.
overlopende posten: Vooruitbetaalde, vooruitontvangen, nog te betalen en nog te ontvangen bedragen.
vooruitbetaald bedrag: Wel betaald, nog niet verbruikt: een uitgave nu, een kost later.
nog te betalen bedrag: Wel verbruikt, nog niet betaald: een kost nu, een uitgave later.
Deze slide heeft geen instructies
EXAMENSTOF · FINANCIEEL · OVERZICHTEN
Begrippen (2/2)
vooruitontvangen bedrag: Wel ontvangen, nog niet verdiend: een ontvangst nu, een opbrengst later.
nog te ontvangen bedrag: Wel verdiend, nog niet ontvangen: een opbrengst nu, een ontvangst later.
periodetoerekeningstelsel: Kosten en opbrengsten tellen mee in de periode waarin ze ontstaan.
kasstelsel: Uitgaven en ontvangsten tellen mee op het moment van betaling of ontvangst.
geprognosticeerde eindbalans: De verwachte balans aan het eind van de periode, uit beginbalans en begrotingen.
Deze slide heeft geen instructies