Les 3 4GR 2627

Les 3

4G Grieks 
1 / 49
volgende
Slide 1: Tekstslide
GrieksMiddelbare schoolvwoLeerjaar 5

In deze les zitten 49 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Les 3

4G Grieks 

Slide 1 - Tekstslide

Vandaag
  • Huiswerk bespreken
  • - Leren woorden les 23.
    - Vertalen tekst 23 t/m rg. 17. 
  • Afronden tekst 23
  • (Door)start participia
  • Onderwereld... 

Slide 2 - Tekstslide

ῥίπτω
A
werpen
B
lopen
C
scheuren
D
smeken

Slide 3 - Quizvraag

ταχύς
A
breed
B
zwaar, ernstig
C
snel
D
kort

Slide 4 - Quizvraag

ὁ ναύτης
A
zeeman
B
schip
C
burger
D
heerser

Slide 5 - Quizvraag

ἄριστος
A
lelijkst
B
slechtst
C
mooist
D
best

Slide 6 - Quizvraag

παρά (+gen.)
A
bij, naast
B
naar (toe)
C
van (de kant van)
D
weg van

Slide 7 - Quizvraag

Wat viel je op aan tekst 23, t/m rg. 17?

Slide 8 - Open vraag

Wat is de correcte vorm van het bijvoeglijk naamwoord καλός (mooi, goed) in de dativus enkelvoud mannelijk?
A
καλῳ
B
καλοῦ
C
καλόν
D
καλῃ

Slide 9 - Quizvraag

Hoe vertaal je het zinsdeel τὴν ἀγαθὴν κόρην correct in de juiste naamval?
A
de goede dochter (als onderwerp)
B
de goede dochter (als lijdend voorwerp)
C
aan de goede dochter
D
van de goede dochter

Slide 10 - Quizvraag

Wat is de genitivus meervoud van het onzijdige bijvoeglijk naamwoord κακός (slecht)?
A
κακοῖς
B
κακά
C
καλοῦ
D
κακῶν

Slide 11 - Quizvraag

Kies de juiste vorm van μικρός (klein) om te congrueren met ὁ ... παῖς (de jongen).
A
μικρός
B
μικρά
C
μικρόν
D
μικρῳ

Slide 12 - Quizvraag

Wat weet je nog van het participium?

Slide 13 - Open vraag

Participium: doel
Je leert wat een participium praesens is en je leert de vormen van het ptc prs herkennen en vertalen. 

Slide 14 - Tekstslide

Slide 15 - Tekstslide

Slide 16 - Tekstslide

Waar ken je deze rijtjes van?

Slide 17 - Open vraag

Slide 18 - Tekstslide

Vergelijk de rijtjes van het ptc van εἰμι met de andere rijtjes van het ptc.
Wat valt op?

Slide 19 - Open vraag

Slide 20 - Tekstslide

Participia in het wild
Vertalen als bijv. nw. --> de lopende man ziet zijn oma

Vertalen als bijzin met bijv. terwijl --> de man ziet zijn oma, terwijl hij loopt

Vertalen als betrekkelijke bijzin --> de man, die loopt, ziet zijn oma

Slide 21 - Tekstslide

Wat weet je al over de Onderwereld bij de Grieken?

Slide 22 - Open vraag

Slide 23 - Tekstslide

Slide 24 - Tekstslide

Slide 25 - Tekstslide

Slide 26 - Tekstslide

Slide 27 - Tekstslide

Slide 28 - Tekstslide

Slide 29 - Tekstslide

Slide 30 - Tekstslide

Slide 31 - Tekstslide

Slide 32 - Tekstslide

Slide 33 - Tekstslide

Slide 34 - Tekstslide

Slide 35 - Tekstslide

Slide 36 - Tekstslide

Slide 37 - Tekstslide

Slide 38 - Tekstslide

Slide 39 - Tekstslide

Slide 40 - Tekstslide

Slide 41 - Tekstslide

Slide 42 - Tekstslide

Slide 43 - Tekstslide

Slide 44 - Tekstslide

Slide 45 - Tekstslide

Slide 46 - Tekstslide

Slide 47 - Tekstslide

Slide 48 - Tekstslide

Huiswerk
Leren woorden les 24. 
Maken hb blz. 109 ergon 3 en 4. 

Tip!
Vind je het hw van woensdag wel snel op dat van dinsdag volgen? Check de studiewijzer, daar staat het al aangekondigd! 

Slide 49 - Tekstslide